Sla inhoud over

Digitaal fotograferen op reis 4 (door Mich Buschman)

Niet alleen je onderwerp nodigt uit tot foto graferen, ook het licht doet dat. De zon gaat onder achter een glooiend landschap. De gouden lichtstralen strijken laag over de heuvels en dan kleurt de hemel diep oranjerood. Adembenemend! Je ziet de foto al voor je, lekker groot in een lijst aan de muur. . .

Die sensatie kan op de foto tegenvallen. Soms is de afdruk lichter of minder rood dan je je herinnert. Zag alles er op het beeldscherm wèl goed uit dan kan het aan de afdrukcentrale liggen. Maar soms is de belichting niet in orde. Te licht opgenomen onderwerpen krijgen niet de volle kleuren en zwarte schaduwen die we zagen. Omgekeerd willen heldere onderwerpen, zoals zand- en sneeuwvlakten en opnamen in helder tegenlicht, wel eens te donker uitpakken. Heb je een digitale spiegelreflexcamera dan kun je daar eenvoudig wat aan doen.

cms_visual_825.jpgISO-waarde
De digitale spiegelreflex meet en vergrendelt het licht vlak voordat je de ontspanknop indrukt. Op grond van de gemeten hoeveelheid licht en het vooraf ingestelde ISO-getal (de ‘film’- gevoeligheid) stelt de camera een sluitertijd in en een lensopening, het diafragma.
Bij een lagere ISO-waarde ontstaan langere sluitertijden, zoals een 1/60 seconde bij ISO 100. Bij lange sluitertijden riskeer je de gevreesde bewegingsonscherpte, maar je kunt ze ook bewust gebruiken om een bewegend onderwerp te fotograferen. Bij een waterval bijvoorbeeld, kan de verwiste onscherpte juist prachtig zijn, het water moet immers stromen en niet stilstaan. Stel je de ISO in op 400, dat is twee stops sneller dan 100, dan kan de camera ook een twee stops snellere sluitertijd instellen, in de reeks sluitertijden (1/60 – 1/125 – 1/250 s.) kom je dan uit op 1/250 seconde. Met snellere sluitertijden kun je bewegingen vastzetten, bevriezen als het ware. Zo zijn snelle acties op het topmoment vast te leggen zonder hinder van vage strepen. Een voordeel van digitale fotografi e is dat je de ISO-waarde op elk gewenst moment kunt aanpassen. Buiten in de zon bijvoorbeeld op ISO 200, maar in de bazaar op ISO 800. Licht meten De meeste onderwerpen stralen zowel lichte, gemiddelde als donkere helderheden af. Doordat de camera de door-de-lens (ddl, TTL) gemeten helderheden middelt, is de meting dan precies goed. Maar bij overwegend donkere of juist lichte onderwerpen gaat het mis: de lichte waterval aan het eind van de donkere kloof wordt ‘overbelicht’. Het omgekeerde gebeurt bij sneeuw- en woestijnlandschappen: het vele licht wordt als ‘gemiddeld’ opgevat en de opname is te grauw-donker: onderbelicht. Je kunt beide voorkomen door de camera te richten op gemiddelde helderheden om je heen. Zet de meetwaarde vast met de AELtoets en maak daarmee de feitelijke opname. Bij sommige geavanceerde camera’s kun je kiezen uit drie ingebouwde meetvormen. De meest gebruikte vorm meet het onderwerp door veel kleine meetveldjes: bij Nikon dat matrixmeting, Canon gebruikt meerveldenmeting en Konica Minolta heeft de honingraatpatroonmeting. Omdat de camera hierbij meedenkt, moet je uitkijken voor overcompensatie, vooral wanneer je zelf bijstuurt.
De tweede meetvorm, de centrumgerichte integraalmeting, meet het hele beeld, met nadruk op het midden. Op de gemiddelde helderheid van het totaalbeeld kun je goed ingrijpen.
Met spotmeting, een meting binnen een kleine cirkel in het midden van het beeld, kun je bijvoorbeeld een relatief kleine, gemiddelde helderheid meten in een overwegend lichte of donkere omgeving. Dat levert een perfect belichte opname op.
Beide laatste meetvormen komen alleen voor op spiegelreflexcamera’s waarop je meer handmatig kunt instellen, dus niet op eenvoudige compactcamera’s.

cms_visual_826.jpgBelichting
Na het meten moet de belichting geregeld worden. Dat kan volautomatisch met de P-stand of de groene stand. De camera kiest dan de lensopening en een sluitertijd, meestal afgestemd op de eisen van de lens.
De lensopening, die de diepte van de scherpte beïnvloedt, wordt uitgedrukt als diafragma of F-getal. Met een laag F-getal - zoals F2,8 - is de scherptediepte kort. Alles voor en achter het onderwerp wordt min of meer wazig weergegeven. Het onderwerp: mens, dier of object, steekt daar mooi scherp tegen af. Met een hoog diafragmagetal, bijvoorbeeld F16, ontstaat veel scherptediepte en dat is mooi bij landschapsopnamen en overzichten van steden, markten en dergelijke.
Wil je zelf de lensopening bepalen, dan kun je halfautomatisch belichten op de diafragmavoorkeuzestand A(v). Kies je liever zelf de sluitertijd, dan kan dat met de Tv- of S-stand.
Beschikt je camera over onderwerpsprogramma’s zoals sport/actie, portret, landschap, close-up en dergelijke, dan kiest de camera de passende sluitertijddiafragmacombinaties, soms zelfs met een automatisch invulfl itsje als het te donker is, of bij hoge contrasten in het onderwerp.

cms_visual_827.jpgLicht, kleur en witbalans
Het licht kleurt de wereld, zou je poëtisch kunnen stellen. In werkelijkheid reflecteren de dingen het zon- of omgevingslicht. De kleur van dat licht bepaalt hoe alles er op de foto uit zal zien. Bij daglicht ervaren we de kleuren ‘zoals ze zijn’. Bij maanlicht ziet alles er totaal anders uit; we zien geen kleuren maar helderheden, contrasten. Binnen kleurt lamplicht geeloranje en opnamen onder tl-licht zien er geelgroen uit. Wij zien die kleurzwemen niet, maar de camerasensor registreert ze wel en op de foto kan (een teveel aan) zwemend licht mooi of storend zijn. Met de witbalans in de camera kun je daar op ingrijpen, automatisch of handmatig, net als bij het belichten. Pas wel op voor te ver doorcorrigeren: een zonsondergang oogt bizar als je die intens warme kleuren gaat ‘verbeteren’!